Patiënten die een transplantatie ondergaan hebben tijdens, maar ook na de ingreep, een verhoogd risico op het oplopen van (ernstige) bacteriële en virale infecties. Vooral het cytomegalovirus (CMV) kan ernstige complicaties geven na transplantatie wat kan leiden tot afstoting, permanente orgaanschade of tot overlijden.1
Er zijn verschillende geneesmiddelen beschikbaar om het risico op CMV-reactivatie te verkleinen, zoals valganciclovir, ganciclovir, foscarnet en cidofovir, die al geruime tijd worden ingezet bij zowel allogene hematopoëtische stamceltransplantaties (HSCT) als bij solide orgaantransplantaties (SOT).2, 3 In de afgelopen jaren zijn daar twee nieuwe behandelingsopties bij gekomen, letermovir en maribavir.4, 5 Deze worden inmiddels ook effectief ingezet bij de behandeling van CMV-reactivatie en hebben hiermee het therapeutisch arsenaal verder uitgebreid.4, 5
Om beter inzicht te krijgen hoe de introductie van letermovir en maribavir zijn ontvangen door medisch specialisten, heeft Ipsos in samenwerking met Takeda Nederland B.V. eind 2022 marktonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek ging in op de behandelingsuitdagingen en -behoeften bij CMV-transplantatiepatiënten, en de verwachte meerwaarde van de genoemde middelen. Hoewel de gegevens eind 2022 zijn verzameld, blijven de bevindingen relevant en vindt u hieronder aanvullende informatie.